1954: ‘Iedereen vond het wel grappig dat we opeens betaald werden voor het voetballen’
‘Lafaards!’ Voormalig bondsvoorzitter Karel Lotsy was heel duidelijk in zijn mening toen bekend werd dat in Nederland betaald voetbal werd ingevoerd. De KNVB was na lang aandringen van de clubs uiteindelijk overstag gegaan en stond toe dat spelers in de hoogste afdelingen in het vervolg betaald zouden worden. Lotsy was een voetbalbestuurder van de oude stempel, iemand bij wie het ‘meedoen voor de eer’ hoog in het vaandel stond. Van betalingen moest hij niets hebben. Het voetbal moest puur en dus amateuristisch blijven. Geld, zo wist Lotsy zeker, zou alles kapotmaken.
Lotsy was zeker niet de enige die er zo over dacht. De KNVB had tot kort daarvoor hetzelfde standpunt. Sterker nog: niet alleen in Nederland werd betaling aan spelers niet toegestaan, ook voetballers die in het buitenland hun heil zochten, werden in de ban gedaan. En dat waren er nogal wat. Spelers als Faas Wilkes (Inter Milaan), Kees Rijvers (St. Etienne) en Cor van der Hart (Lille) vertrokken naar het buitenland om daar met voetballen hun geld te verdienen. De KNVB was woest over deze ‘voetbaltoeristen’. In eigen land waren ze niet meer welkom, en ze mochten ook niet meer voor het Nederlands elftal uitkomen. Voetballen om geld, dat deed je niet. ‘Voetballen doe je voor de lol!’, zo luidde het standpunt van de KNVB.
Beroepsvoetbalbond
Niet alleen spelers die zich inlieten met geld werden gestraft, ook clubs werd op het hart gedrukt vooral geen zaken te doen met de zogenaamde wilde bond, die inmiddels in Nederland was ontstaan. Middels speciale advertenties in clubbladen werden de leden gewaarschuwd. Zo stond in maart 1954 in de Excelsior Kroniek te lezen: ‘Naar aanleiding van de berichten in de pers omtrent een opgerichte of in oprichting zijnde Beroepsvoetbalbond in Nederland, wenst het bestuur van de KNVB en zijn afdelingen, volgens welke ieder, die zich bij een beroepsvoetbalbond aansluit, hetzij als speler, hetzij als scheidsrechter, als organisator of als gewoon lid, door de KNVB in de beroepsklasse moet worden geplaatst, met als gevolg, dat een terugkeer naar de KNVB voor langere tijd beslist is uitgesloten.’
De vraag was echter in hoeverre het beroepsvoetbal nog was tegen te houden. Aad Libregts hield in februari 1954 nog een vurig pleidooi voor het amateurisme in de Excelsior Kroniek: ‘Indien de vereniging een bedrijf wordt met circa twintig spelers, dan werpt men als vuile was de overtollige ballast overboord, dat wil zeggen de overige leden en de jeugdbeweging. De massa, hees van het geschreeuw om meer actie over het groene laken, zal het vijfdubbele minstens van de huidige toegangsprijs dienen neer te leggen! De verenigingen willen hun jeugdwerk voortzetten en het spel spelen om het spel, waarvoor tientallen mensen in diverse functies en tientallen spelers op de bres hebben gestaan. De NBVB zal een kort leven zijn beschoren.’
Rampenfonds
Deze NBVB, Nederlandse Beroeps Voetbal Bond, was opgericht op 12 december 1953. Belangrijke man bij de NBVB was Egedius, Gied, Joosten. Hij was al twee jaar bezig met de voorbereiding voor beroepsvoetbal. Dat dit serieus mogelijk was in Nederland bleek toen een selectie van Nederlandse voetbalprofs het in 1953 opnam tegen het Franse nationale team. Zij deden dit in een speciaal duel waarmee geld werd opgehaald voor het Rampenfonds dat in het leven was geroepen voor slachtoffers van de Waternoodramp. De Nederlandse profs wonnen deze wedstrijd met 2-1. Belangrijker nog was echter dat de volledige Nederlandse sportpers in Parijs aanwezig was en zag hoezeer de Nederlandse spelers vooruit waren gegaan nu zij fulltime met voetballen bezig waren.
Het drong langzaam maar zeker door dat er iets moest veranderen. Ook bij Excelsior, waar Henk Zon in april 1954 een oplossing zocht om spelers in eigen land op eenzelfde niveau te brengen als die in het buitenland: ‘Dit betekent niet de invoering van beroeps- of semi-beroepsspel. Wel zullen enkele amateurbepalingen sneuvelen of dienen te worden verruimd. Dit alles gezien met de mogelijkheden, die ons landje met zijn eigen structuur kan bieden. (.) Mijns inziens zal dan ook slechts geselecteerde indeling van de verenigingen leiden tot verhoging van het spelpeil, met - en dat moet worden gezegd - de nadelen van dien.’
Kleinschalig
Helemaal puur was het voetbal echter allang niet meer. Steeds meer spelers in Nederland werden heimelijk beloond voor hun diensten. Waren het geen envelopjes met guldens, dan kregen spelers wel andere zaken aangeboden van clubs of suikerooms. Een sigarenwinkel om na de voetbalcarrière iets achter de hand te hebben? Een flinke duit in het zakje voor een bruiloftsfeest? Een auto van de club? Het gebeurde, alleen wist niemand er officieel iets vanaf. ‘We kregen geen geld, maar helemaal voor niets ging het ook niet’, weet Arie den Hertog, Excelsiors doelman uit deze periode, zich te herinneren. ‘Zo kregen we af en toe een bon om bijvoorbeeld een overhemd uit te zoeken of iets anders. Maar dat was kleinschalig. We voetbalden puur omdat we het leuk vonden.’
Voetbal was puur, zo was de boodschap naar de buitenwacht. In werkelijkheid was het toestaan van betalingen onontkoombaar geworden. Haast was geboden, want de NBVB had inmiddels tien profclubs in het leven geroepen en die waren allen begonnen met het contracteren van spelers. Ook Rotterdam kreeg een betaalde club: Profclub Rotterdam. Twee spelers die door Profclub Rotterdam werden benaderd waren Henk Schouten en Aad Bak die allebei al jaren speelden in het eerste elftal van Excelsior. Op 4 mei 1954 maakte voorzitter Henk Zon van Excelsior in zijn dagboek melding van een gesprek tussen C. Fonteijn en Henk Schouten. De spits van Excelsior zou van plan zijn de club te verlaten. Hij zou door twee clubs zijn benaderd, die hem financieel wilden ondersteunen. Schouten verliet Excelsior aan het eind van dat seizoen en kwam uiteindelijk bij Feijenoord terecht.
Profclub Rotterdam
Ook Aad Bak kon voor geld naar een andere club, maar hij overlegde een en ander liever eerst met voorzitter Henk Zon. Laatstgenoemde noteerde op 25 juni in zijn dagboek: ’s Avonds plusminus half negen Aad Bak op bezoek gehad. Hij zei, direct toen hij had plaatsgenomen in een makkelijke stoel: Ik zal maar met de deur in huis vallen, daar ik ben aangezocht door de Profclub Rotterdam via Aad Hoek. Ik kom nu jou om raad vragen, daar ik van de ene kant Excelsior, waar ik van jongs af aan voor speel, niet graag ga verlaten. Maar aan de andere kant het aanlokkelijke aanbod tegenover mijn gezin moeilijk kan afstaan.’
Volgens Zon zou Bak bij zijn nieuwe club 30 tot 35 gulden vast per week krijgen. Daarnaast zou hij 10 gulden bij een nederlaag, 20 gulden bij een gelijk spel en 40 gulden bij een gewonnen wedstrijd krijgen. ‘Als voorzitter zou ik het erg vinden’, antwoordde Zon aan Bak. ‘Maar als mens vind ik het zeer begrijpelijk en ik zal het je dan ook beslist niet kwalijk nemen, als je pogingen in het werk stelt, je maatschappelijk op te trekken via betaald voetbal. Wij leven nu eenmaal in een materialistisch tijdperk.’ In de kantlijn van zijn dagboek noteerde de voorzitter van Excelsior: ‘Mijn persoonlijk standpunt nu de zaken zo duidelijk liggen: premie voetbal, hoe jammer het ook is.’
Clubmensen
Dat jongens als Henk Schouten en Aad Bak vertrokken bij Excelsior puur en alleen om het geld, leidde ook tot onrust binnen de ploeg. ‘Sommige spelers zagen het als verraad, al waren ze in werkelijkheid misschien een beetje jaloers’, zegt Arie den Hertog. ‘Ze dachten: was ik het maar die werd gevraagd. Ik ben zelf niet gevraagd, maar ik denk ook niet dat ik het had gedaan. Ik had toen al een goede baan, waar ik verder mee kon komen. Dan vond ik veel belangrijker. Voetballen deed ik toch vooral voor mijn plezier. Ik was toen administrateur bij een grote liftenfirma, waar ik later nog tot de directie ben toegetreden. Maar het was natuurlijk nogal wat dat die jongens vertrokken. Ook Henk Schouten en Aad Bak waren al jaren lid van Excelsior. Toen bestond het eerste elftal nog uit echte clubmensen, die allemaal sinds de jeugd bij Excelsior voetbalden.’
Drie dagen na zijn gesprek met Aad Bak nam Henk Zon contact op met KNVB-voorzitter ir. H.F. Hopster. Zon legde hem zijn probleem voor en stelde voor om op 30 juni bij elkaar te komen om een en ander te bespreken. De ontmoeting kwam er op vond plaats in Hotel Terminus in Utrecht. Omdat alle vergaderruimten bezet waren, kwamen de heren bijeen in een slaapkamer, hetgeen Feyenoord-voorzitter Cor Kieboom de volgende uitspraak ontlokte: ‘In de slaapkamer worden vele nieuwe levens geboren.’ Naast Hopster en Zon waren de volgende personen bij de vergadering aanwezig: Cor Kieboom en Phida Wolff van Feijenoord, Jos Coler van Sparta, Toon Martens van ADO en Aad Libregts van Excelsior.
Gezamenlijke competitie
Tijdens de bijeenkomst werd volgens Henk Zon in ‘prettige sfeer’ gesproken over het toestaan van betaling aan spelers in de eerste klasse. De bond had oor voor de plannen en het voorstel werd ingebracht in de bondsvergadering. Op 28 augustus werd het aangenomen en werd het officieel toegestaan om spelers te betalen, tot ongenoegen van tegenstanders van betaald voetbal, zoals Karel Lotsy. Op het moment dat de bondsvergadering het voorstel aannam, waren er al twee verschillende competities bezig. Die van de KNVB en die van de ‘wilde’ NBVB. Na lang soebatten kwamen beide bonden op 27 oktober uiteindelijk een gezamenlijke competitie overeen. De afzonderlijke competities werden gestaakt en gingen in elkaar op. Daarmee kwam een einde aan een zeer rumoerige periode in de historie van het Nederlandse voetbal.
‘Rotterdams initiatief redde het Nederlandse voetbal’, kopte Sport en Sportwereld op 5 juli 1954. In het eerste seizoen betaald voetbal had Excelsior veertien contractspelers. Die kregen de volgende vergoedingen: twintig gulden na een overwinning, tien gulden na een gelijk spel en vijf gulden na een nederlaag. Ook kregen ze vijf gulden voor een training, waarvan er wekelijks drie moesten worden gevolgd. Henk Zon beloofde de leden van Excelsior dat de club ondanks het beroepsvoetbal een echte vereniging zou blijven: ‘Ons hoogste doel moet blijven: vriendschap, kameraadschap met als uitkomst opofferingsgezindheid. Als wij deze eigenschappen ons blijven aanmeten, dan zal de sfeer in ons aller Excelsior een waarborg zijn voor de toekomst.’
Bij betalen
Voor de spelers van Excelsior veranderde er overigens minder dan je in eerste instantie zou denken. Arie Vermeer speelde al jaren in het eerste elftal van Excelsior toen hij in 1954 opeens werd betaald voor zijn diensten. ‘Er veranderde niet zo veel in het begin’, vertelt hij. ‘We speelden in een team met allemaal jongens die al sinds de jeugd voor Excelsior voetbalden. Natuurlijk was het fijn dat we betaald kregen, maar uiteindelijk koste het misschien nog wel meer dan het opleverde. Mijn vrouw was mijn grootste fan en zij ging altijd mee met de trein naar uitwedstrijden. Na de invoering van betalingen moesten we dat zelf betalen. Als we dan naar MVV gingen, kregen we twintig gulden bij een overwinning. Nou dat was amper genoeg om haar treinkaartje te betalen.’
‘Soms kwam je aan het eind van de maand bij penningmeester Groeneveld en dan moest je bij wijze van spreken 24 gulden bij betalen’, weet ook doelman Arie den Hertog zich te herinneren. ‘Er waren natuurlijk ook maanden dat je wel aardig verdiende, maar als we drie keer achter elkaar verloren, dan schoot het niet op.’ Volgens Den Hertog leidde de opkomst van het betaalde voetbal sowieso niet tot onrust binnen de ploeg: ‘Er werd wel over gesproken, maar er veranderde niet veel hoor. We hadden net de oorlog achter de rug en zaten nog volop in de opbouwfase, wat betreft werk, salaris, gezin. Dus iedereen vond het wel grappig dat we opeens betaald werden voor het voetballen.’ .